Invoering van de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand

Persoonsinformatiemanagement

Op 1 juli aanstaande is het dan zover. De Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand (Stb. 2014/380) zal gefaseerd inwerkingtreden. De wet bestaat uit een zogenoemd digitaal deel en een niet digitaal gerelateerd deel.

De pilot digitale overlijdensaangifte in de gemeente ’s-Hertogenbosch is succesvol afgerond. De  eerste fase van de elektronisch burgerlijke stand wordt op 1 juli ingevoerd en betreft de digitale aangifte van overlijden. Het staat iedere gemeente vrij om met ingang van die datum digitale aangifte van overlijden aan te bieden.

Het streven is om begin 2016 met een pilot te starten voor de digitale melding van voorgenomen huwelijk en geregistreerd partnerschap.

In de tweede fase van de elektronische dienstverlening burgerlijke stand zal dan de melding van voorgenomen huwelijk en geregistreerd partnerschap worden ingevoerd en het sluitstuk zal de digitale aangifte van geboorte vormen. Een besluit omtrent de digitale opslag van de akten van geboorten, huwelijk, geregistreerd partnerschap en overlijden, alsmede de digitale afgifte van afschriften van die akten is pas voorzien na de wetsevaluatie. Deze evaluatie vindt drie jaar na de inwerkingtreding (medio 2018) plaats. De akten die niet in registers worden opgenomen, zoals de akten van erkenning en naamskeuze, worden niet digitaal opgemaakt.

De niet elektronische dienstverlening gerelateerde onderwerpen in de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand treden  op 1 september aanstaande in werking. 

Huwelijksaangifte en voornemen geregistreerd partnerschap (*):

De invoering van de wet leidt ertoe dat de artikelen 1:43 en 1:80a lid 4 BW komen te vervallen. Trouwlustigen kunnen zich derhalve rechtstreeks tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de huwelijksgemeente wenden om aldaar het voornemen om in het huwelijk te treden kenbaar te maken. Dit kan schriftelijk of in persoon.

Partijen dienen de ambtenaar van de burgerlijke stand de in artikel 1:44 lid 1 BW (nieuw) genoemde gegevens te verstrekken. Zoals het in veel gemeenten in Nederland al gewoon was hoeven in principe geen bewijsstukken meer te worden overgelegd. Immers de persoonsgegevens van de trouwlustigen zijn veelal geregistreerd in de Basisregistratie Personen. De ambtenaar van de burgerlijke stand zal de door partijen ingevulde verklaring moeten toetsen. Daar waar twijfel bestaat kan en zal hij om aanvullende documenten moeten vragen,  zoals een nooit eerder getoonde buitenlandse geboorteakte of een bewijs van echtscheiding uit het buitenland.

Indien trouwlustigen hun melding kenbaar hebben gemaakt in een andere gemeente dan de beoogde trouwgemeente, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand hen naar die gemeente moeten verwijzen.

Het huidige artikel 1:43 BW wordt op 1 september 2015 ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat het met ingang van die datum mogelijk wordt dat iedere vreemdeling ongeacht waar hij ter wereld woont in iedere gemeente in Nederland moet worden toegelaten tot een huwelijk. Pas na inwerkingtreding van de Wet tegengaan huwelijksdwang (Wetsvoorstel 33 488) zal de omissie worden hersteld. De Wet tegengaan huwelijksdwang moet nog worden behandeld in de Eerste Kamer. Het is nog onduidelijk op welke termijn deze Wet inwerking zal treden. Het is dan ook aan te raden om bruidsparen goed voor te lichten en te wijzen op mogelijke consequenties als deze Wet voor de geplande huwelijksdatum in werking mocht treden.

Trouwlustigen woonachtig in het buitenland en waarvan tenminste één van de partners de Nederlandse nationaliteit bezit, zullen op grond van artikel 1:44 lid 2 BW (nieuw) nog steeds verplicht zijn zich te vervoegen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage.

Met ingang van 1 september 2015 komt de M46 te vervallen. Iedere aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit of rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000 zal een verklaring moeten overleggen. Deze verklaring dient op grond van artikel 1:44 lid 1 onder j BW (nieuw) juncto artikel 28 BBS 1994 (nieuw) tenminste te bevatten:

-Een verklaring dat men het huwelijk niet aangaat met als oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen;

-Een verklaring omtrent het verblijfsrecht van de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

Deze verklaring dient op grond van het bepaalde in artikel 28 lid 2 BBS 1994 (nieuw) gedurende twaalf jaar te worden bewaard ten behoeve van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.De ambtenaar van de burgerlijke stand dient voordat hij het huwelijk voltrekt opnieuw de rechtmatigheid van het verblijf in Nederland van de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit te controleren.

Is de ambtenaar van de burgerlijke stand van oordeel dat er sprake is van schijn zal hij zijn medewerking aan dit huwelijk moeten weigeren overeenkomstig artikel 1:18c, tweede lid BW.

Nu de verplichte overlegging van een geboorteakte in beginsel is komen te vervallen is er geen reden meer om de akte van bekendheid ex artikel 1:45 lid 1 BW te handhaven. Dit artikel wordt geschrapt en vervangen door een nieuw artikel 45. In  het nieuwe artikel 1:45 BW bestaat de mogelijkheid om in sommige bijzondere gevallen betrokkene toe te laten tot een beëdigde verklaring af te leggen ten overstaan van de  de ambtenaar van de burgerlijke stand die het huwelijk zal  voltrokken. Deze verklaring bevat: het geslacht, de plaats, het land en, zo nauwkeurig mogelijk, de datum van geboorte alsmede de persoonsgegevens van de ouders. In de huwelijksakte wordt melding gemaakt van deze afgelegde verklaring. Deze verklaring mag op grond van artikel 1:16a lid 2 BW ook door de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand worden afgenomen.

De wijziging van de artikelen 1:44 BW en 1:45 BW hebben tot gevolg dat de artikelen 2.8 en 2.9 van de Wet Basisregistratie Personen met ingang van 1 september aanstaande dienovereenkomstig zullen wijzigen.

Kennelijke schrijf- spelfouten en kennelijke misslagen:

De ambtenaar van de burgerlijke stand krijgt op grond van het nieuwe artikel 1:24a BW de mogelijkheid om kennelijke misslagen ambtshalve te verbeteren. De toestemming van de officier van justitie om een dergelijke fout te verbeteren is geschrapt.

De wijziging van dit artikel leidt er niet toe dat de ambtenaar van de burgerlijke stand iedere misslag zo maar kan verbeteren.  De volgende stelregel  kan gehanteerd worden: pas de misslag niet ambtshalve aan indien de misslag de bijzondere bewijskracht van een geboorte- of overlijdensakte raakt zoals opgenomen in artikel  1:22 BW.

Dus bij een geboorteakte dient de ambtenaar van de burgerlijke stand niet te verbeteren:  plaats, dag en uur van geboorte, de gegevens van de moeder (denk aan haar identificerende gegevens) en het geslacht van het kind. Bij de overlijdensakte moet u denken aan: plaats, dag en uur en de daarin genoemde persoon (dus niet de identiteit wijzigen).

Samenvattend, de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand wordt gefaseerd ingevoerd. Op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip zullen de artikelen, die het digitaal kenbaar maken van het voornemen om een huwelijk aan te gaan of het digitaal aangifte doen van geboorte mogelijk maken, in werking treden. Zeker in het proces van digitale aangifte van geboorte moeten nog enkele hobbels worden genomen, immers het vastleggen van de afstamming in een authentieke akte dient met waarborgen te worden omkleed.

Datzelfde geldt voor de opslag van de akten van de burgerlijke stand. Pas nadat een fundamentele discussie is gevoerd zal een besluit worden genomen omtrent de wijze van opslag, tot dat moment zullen wij de akten die deel uitmaken van een register van de burgerlijke stand moeten opslaan conform de huidige wet- en regelgeving.

Met dank aan de auteurs: Léon Evers en Maurice Gordijn, beiden lid van de NVVB-commissie Persoonsregistratie.

 (*) daar waar over huwelijk wordt gesproken wordt eveneens geregistreerd partnerschap bedoeld.

Bestanden behorend bij bovenstaand artikel: