Twijfel bij erkenning (ongeboren vrucht)

Gemeenten worden dagelijks geconfronteerd met verzoeken om kinderen (als ongeboren vrucht) te erkennen waarbij de vraag zich opwerpt of die erkenning wel het doel dient waarvoor zij in het leven is geroepen.

Zo kan het een tot Nederlander genaturaliseerde man betreffen die het (verwachte) kind wil erkennen van een vrouw die op het punt staat om uitgezet te worden. De vrouw van wie de verblijfsvergunning nog in procedure is, denkt kans te maken om in Nederland te mogen blijven als ze een kind heeft (krijgt) van een Nederlander. Er zijn aanwijzingen dat de erkenner in deze gevallen vaak niet de partner is van de moeder, of de verwekker van het kind, maar dat hij in een andere relatie tot haar staat. Hij kan bijvoorbeeld een familielid zijn (broer, vader, oom), een kennis die haar uit idealisme of voor geld aan een verblijfsvergunning wil helpen, of een mensenhandelaar die een kind voor prostitutie wil inzetten. Er zijn dus goede redenen om deze erkenningen kritisch te beoordelen en te onderzoeken. Bij twijfel is het zaak te overleggen met de AVIM of de IND alvorens een beslissing te nemen.

Onderzoek naar schijnerkenning
Natuurlijk moet elke vraag om een erkenning te doen goed worden onderzocht. Neem daar ook de tijd voor. Schijnerkenningen kunnen worden geweigerd wegens strijd met de openbare orde volgens 1:205 lid 2 BW (erkenning naar Nederlands recht), 10:6 BW (schijnerkenning naar vreemd recht) en 10:101, lid 2, onder c BW (wanneer een kind buiten Nederland is erkend).

Het kan lastig zijn om vast te stellen dat sprake is van schijnerkenning. Aanwijzingen voor schijnerkenning zijn dat de erkenner en de (aanstaande) moeder niet samenwonen, en dat de erkenner niet de verwekker is van het kind. In dat geval kan van de erkenner worden gevraagd om bewijs te leveren, dat hij daadwerkelijk een relatie met de moeder heeft. (een stapel foto’s, treinkaartjes waaruit blijkt dat zij elkaar regelmatig bezoeken, etcetera). Wie daarna nog betwijfelt dat de erkenner een nauwe persoonlijke band met het kind heeft, kan zelfs om DNA-bewijs vragen. (naar analogie: HR 2 november 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX6962)

Erkenbaarheid van het (verwachte) kind
Een andere vraag is of het (verwachte) kind wel door deze man erkend kan worden. Daarvoor moet de identiteit van partijen moet goed worden geverifieerd. Het mag niet zo zijn dat het (verwachte) kind al een vader heeft doordat de (aanstaande) moeder bijvoorbeeld gehuwd is met een andere man, ook al staat dat (nog) niet in de BRP. Rapporten van gehoor zijn onmisbaar om dit vast te stellen. Ook andere indicaties, zoals eerdere verzoeken om toelating van een partner, of eerdere kinderen van de moeder, kunnen een vermoeden bevestigen dat de vrouw eerder gehuwd was. Daarnaast kan sprake zijn van zwakkere, aanvullende aanwijzingen, zoals wanneer een moeder met kinderen of een vrouw op latere leeftijd uit een traditioneel land naar Nederland is gekomen. In traditionele landen als India of veel islamitische landen is het voor een ongehuwde vrouw vaak erg moeilijk, of zelfs onmogelijk, om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Andersom mag je ervan uitgaan dat een moeder, die als minderjarige naar Nederland is gekomen, ongehuwd is. Wanneer het verzoek om toelating van de moeder inmiddels is afgewezen, kunnen van haar ook bewijsstukken uit het land van herkomst worden gevraagd. Verder mogen erkenner en (aanstaande) moeder geen broer en zus zijn, of vader en dochter. Om dat vast te stellen kan de ABS gebruikmaken van de rapporten van gehoor, of eventueel om geboorteakten van de erkenner en de moeder vragen.

Nieuwsoverzicht